almapost.nl

Schrijfdagboek

Ik zat in de trein

23-3-2018

In de trein tegenover me zat een man te lezen. Aan de regelmaat waarmee hij de bladzijden omsloeg zag ik dat hij echt verdiept was in zijn boek, waarvan ik de titel helaas niet kon zien. Maar aan de dikte, en wat ik zag van de kleuren op het omslag meende ik dat het The Sparsholt affair van Alan Hollinghurst was, dat ik zelf ook net uit had. Ik onderdrukte de neiging om ‘Het begin is goed hè?’ tegen hem te zeggen. Zo’n opmerking van een vrouw die zijn moeder kan zijn, daar zit die man echt niet op te wachten, laat hem lekker lezen, hield ik mezelf voor.

Daarom deed ik wat wél geoorloofd was: me voorstellen dat hij een personage in mijn boek werd. Schrijvers letten op ieder detail, dus ik begon hem ijverig te observeren. Kaal hoofd met lichte stoppels; nostalgische loden jas met capuchon, die open hing, en daaronder twee enigszins verwassen T-shirts over elkaar, allebei in wit-beige tinten; spijkerbroek van klassieke kleur en snit. Zijn gezicht was fijn, voor een man. Gevoelige mond. Ik stelde me voor dat hij introspectief was. (‘introspectie is het belangrijkste’, hoorde ik kortgeleden uit de mond van Griet op de Beeck), en vriendelijk. Misschien vegetarisch, lid van een linkse partij.

Weer viel me op hoe minuscule kenmerken zoals de kleur en snit van een T-shirt iemand al in een politieke richting plaatsen. Geen nieuwe gedachte. De absolute topper over dit onderwerp werd al in 1984 door Renate Rubinstein verwoord in haar column Het rechtse sjaaltje. (rechts sjaaltje: sierlijk opzij dichtgeknoopt, links sjaaltje: tweemaal om de hals gewikkeld en slordig vast gepriegeld. Ja, dat was toen.)

Het leek me een integere man. Niet omdat ik hem als links bestempelde trouwens – integriteit komt volgens mij bij alle gezindten voor, evenals het tegendeel ervan –, maar hij deed me denken aan een man die ik kortgeleden een paar maal aan de telefoon had gehad. Een gemeenteambtenaar uit Hengelo die ik een vraag voorlegde over een pand in zijn gemeente. Hij kon me niet de volledige informatie geven, maar zou me terugbellen. Jammer, dacht ik, dat gebeurt natuurlijk niet. Maar drie dagen later, wie schetste mijn verbazing: daar was hij, aan de telefoon, met alle informatie die ik nodig had. Zo’n man leek de lezer die nog steeds verdiept was in The Sparsholt affair mij ook. Ik verheugde mij in het feit dat zo’n man bestond en tegenover me zat. In ieder geval voor deze treinreis.

Toen ging zijn telefoon. Die viste hij met een halve blik op zijn boek uit zijn jaszak. Hij zei zacht zijn naam, iets als Rob of Bob, gevolgd door een te hard uitgesproken: ‘Ik zit in de trein.’ Au.

Vorig berichtVolgend bericht